We zijn er

We zijn er werd in 2021 gepubliceerd door Het Rode Oor.

Ik was de aardbeien één voor één onder de kraan, snijd ze door de helft, het zijn net kleine hartjes, en laat ze in een kom vallen. Ik houd mijn hand op dezelfde hoogte als waarop ze in Marokkaanse theehuizen thee schenken en doe dat ook wanneer ik ze bedek met yoghurt, tot elke aardbei verdronken is. Als ik er een lepel door haal, verandert het wit langzaam in roze.

Zouden we vandaag zijn gaan wandelen? Ja, en jij zou het weiland in zijn gelopen om dat paard te aaien. Ik was je gevolgd, ik heb een hekel aan paarden maar niet aan jou, handen vol vers geplukt gras.

Of we zouden zijn gaan zwemmen in het meer waar ik gister langsreed. Jij was er meteen in gesprongen, naakt natuurlijk, dus het maakt niet uit dat ik mijn zwembroek ben vergeten. 

Maar het regent, ik blijf binnen. Ik ga op de bank zitten en vraag aan de woonkamer of jij mijn hoofd tussen je handen wil nemen, wil zeggen dat we er zijn. 

Het is goed, we zijn er.

Kom dichterbij, laat je lippen mijn lippen vinden en kus me. Verstop je gezicht in mijn nek, ogen gesloten. Blijf zo, even, kijk me dan weer aan en fluister mijn naam.

Streel met je vingertoppen mijn lippen, mijn wangen, mijn oren, mijn haar. Druk mijn hoofd naar beneden – voorzichtig, maar dwingend. Trek je shirt omhoog en laat me je daar kussen, mijn tong over je borst, je buik, je navel. 

Voel aan de stof van onze kleren, trek er zachtjes aan. Zeg bij ieder kledingstuk ‘uit’ en help me daarmee. Trui, shirt, broek, sokken, die van mij, die van jou. Duw me naar achter en leg je lichaam op dat van mij. 

Druk je tegen mij aan, laat me voelen wat jij wil en voel wat ik wil. Kom omhoog en ga met je handen over mijn ribben. Zonder te tellen, vlug naar beneden. Steek vingers onder het elastiek, trek het omlaag, tot aan mijn enkels. Voel en knijp zacht, hard, harder.

Duw mijn handen naast mijn hoofd. Klem je knieën tegen mijn lichaam en zorg dat ik geen kant meer op kan. Laat me hem zien, laat me hem proeven. Zeg mijn naam, één keer, twee keer, drie keer.

Breng je gezicht naar dat van mij. Trek aan mijn haren. Hard. Laat mij smeken. Geef mij je spuug. Bijt in mijn lip. Streel mijn oor met tong. Met woorden. Met adem. Maak met je nagels sporen in mijn lichaam. Laat mij smeken. Zuig aan de huid van mijn hals. Zet je tanden in mijn schouder. Om mijn tepel. Laat mij smeken. Zeg wat ik wil horen. Doe wat je zegt. Draai me om. Spuug. Verken met vingers. Een vinger. Twee vingers. Drie vingers. Druk jezelf tegen mij aan. Zeg niet wat je wil. Doe wat je wil. Duw jezelf naar binnen. Voorzichtig. Snel. Maakt niet uit. Dring jezelf naar binnen. Nu. Dwing jezelf naar binnen. Nu. Geef. Duw. Stoot. Schreeuw. Mijn. Naam. 

Ik fluister je naam. Laat hem daarna uit mijn lichaam, uit mijn hoofd verdwijnen. Hij belandt op mijn onderbuik en daarboven, tot aan mijn sleutelbeen. Eerst in vluchtige druppels, daarna in drie schokkende stralen.

  • Fictie
  • Non-fictie